© VATV De Regenboog / PMA
"Dames en heren, leden van de jury !
In de nacht van acht april is in een stille tuin op de helling van een heuvel een misdaad gepleegd.
Tijdens het eerste deel van de nacht gebeurde er niets bijzonders, doch toen de sterren begonnen te verbleken,
verliet de tuinman, de beklaagde in dit proces, zijn huis om een vreemde taak uit te voeren.
Hij haalde uit de stal een ezel, bracht het dier naar de pomp en spande het voor de draaiboom van het waterrad.
Terwijl de ezel het bassin volpompte, ging de tuinman naar de rotsen van de heuvel, in het achterste gedeelte van de tuin.
Dat was de plek waar de misdaad gepleegd werd."
Met deze woorden begint een schouwspel dat zijn weerga niet kent!
Dit speciaal voor Pasen geschreven stuk is "meer waard dan duizend preken"
zoals ooit een hervormd predikant stelde.
Het stuk brengt u in een rechtszaal waar heel herkenbaar en indringend de zaak van de
dood van Jezus van Nazareth wordt behandeld.
Getuigen worden aan de tand gevoeld door de Officier van Justitie en een door de wol geverfde verdediger.
De soldaat, Jozef van Arimathea, een barmeisje, Paulus en uiteindelijk Maria Magdalena komen allen aan het woord.
Uiteindelijk ligt het antwoord op de vraag of de tuinman het lichaam van Jezus
heeft gestolen...... in uw handen.
Want U bent de jury in deze op Amerikaanse leest geschoeide productie,
die door de rechter zal worden gevraagd naar een oordeel: Schuldig of Onschuldig?
Wie zei er, dat dit niet meer van deze tijd was?
Het
Paasspel,
dat wij nu al zoveel jaren spelen, heeft een veel langere voorgeschiedenis dan
menigeen zou denken.
Het fysiek uitbeelden van Bijbelse
voorvallen is zelfs terug te voeren tot de Middeleeuwen.
De plaats van handeling moeten we dan
zoeken in de oude kloosters en abdijen.
Het dagelijks leven in de oude kloosters kenmerkt zich door een
strak stramien, waarbinnen met name de zogenoemde getijden worden gezongen of
gereciteerd. In grote lijnen brengt men het psalmwoord in praktijk, dat zegt: “Van
de opgang der zon tot aan haar ondergang, zal aan Uw Naam lof worden gezegd”.
Letterlijk beginnen de
kloostergemeenschappen of conventen midden in de nacht met het zingen van de
Metten, wat een afgeleide is van ‘Matutinus’ of Ad Matutinum’ = Morgengebed.
De Metten konden –zeker in de Goede Week-
zeer lang zijn. We kennen in ons spraakgebruik nog steeds de uitdrukking:
‘Korte metten maken’ . Al die getijden waren in het Latijn qua taal en in het
Gregoriaans qua eenstemmige melodie. Dat gebruik van het Latijn en de
Gregoriaanse melodieën mocht dan gemeengoed zijn voor velen binnen de
kloostergemeenschap; er waren er velen die niet tot die elite van koormonniken
behoorden. Zij hadden veel meer behoefte aan het uitbeelden, dan aan de
ellenlange psalmen, hymnen, sequentia’s, lezingen, responsories en wat dies
meer zij.
Nog in onze tijd zijn er gemeenschappen van
monniken of monialen (beschouwende kloosterzusters) die in de Goede Week de
zogenoemde Donkere Metten zingen. Aan
het eind van de daarop volgende Lauden (letterlijk: Lofzangen) slaan ze met een
luide klap hun zware folianten dicht, om daarmee symbolisch de aardbeving en de
onrust op aarde uit te beelden bij de dood van Christus aan het Kruis.
Zo is er ook een tijd geweest dat
kloosterlingen tijdens het zingen van de Metten met de grote witte doek of
dwaal, die normaal de altaartafel bedekt, op pad gingen om dat buiten het
gezichtsveld te brengen van de verzamelde monniken. Even later waren de
gezangen er dan op toegespitst de doek (symbolisch: de Lijkwade) weer te zoeken
bij het ‘lege graf’.
Na verloop van tijd verdwenen deze
symbolische handelingen uit de steeds strakker gereguleerde getijden en gingen
deze handelingen meer en meer een eigen leven leiden. Op die manier werd er
naast het officiële getijdengebed op acht tijdstippen over de dag genomen,
plaats voor Bijbels geïnspireerde toneelstukken.
Ook hierin is een progressie waar te nemen.
De mensen die zich beschikbaar stelden om in zo’n spel een rol te gaan spelen
gingen zich steeds meer identificeren met hun rol en soms ging het zo ver dat de toneelspelers zichzelf
meer op de voorgrond plaatsten, dan het spel zelf.
Toen werd het tijd dat de –kerkelijke- overheid ingreep en de spelen verbande naar
buiten het kerkgebouw. Weer veel later werden de spelen onder druk van
voortschrijdende ontkerkelijking naar theaters en zalen verbannen.
Daar zijn ze nog tot in onze dagen te zien,
de zogeheten Passiespelen. De bekendste zijn ongetwijfeld die van Oberammergau
en in ons eigen land, de beroemde passiespelen van Tegelen.
Toen men in 1976 in Voorburg een regisseur zocht
voor een modernere versie van een passiespel, had men geen betere keus kunnen
maken dan daarvoor de Voorburgse amateurtoneelspeler Herman Flaton aan te
wijzen. Hij had op dit terrein zijn sporen al dubbel en dwars verdiend. Het enthousiasme van het eerste uur onder
zijn regie is blijven hangen. Zo zelfs, dat er een regelrecht amateur
toneelgezelschap uit ontstond.
En nu anno 2009, na meer dan 80 voorstellingen
over het hele land, beseffen we weer dat we in een eeuwenoude traditie staan en
dat de boodschap van Pasen nog even actueel is als eeuwen geleden. We hebben
het alleen nu verpakt in een ander jasje: een op Amerikaanse leest geschoeide
juryrechtspraak. De toehoorders krijgen de rol van jury toebedeeld en worden
actief betrokken bij de als laatst over blijvende vraag: is Christus nu echt
uit de doden opgestaan of heeft iemand zijn Lichaam gestolen? En het bijzondere
daarbij is dat die boodschap elk jaar weer opnieuw met veel elan wordt uitgedragen.
En dat niet alleen door nog maar een paar ‘werkers van het eerste uur’, neen,
juist door een meerderheid van juist jonge mensen, die de traditie van die oude
Passie- en Paasspelen nooit gekend hebben!
Zover zijn we dan nu, maar we beseffen daar
wel bij, dat wij staan in een eeuwenoude traditie.
Bernard Dijkman,
maart 2009